Diagnostiek is niet het afvinken van een vragenlijst

Deskundige aan het woord

In dit interview met psychiater Anja Stevens vertelt ze over de toepassing van de DSM-5. Hoe wordt deze DSM gebruikt? En hoe gaat Stevens om met complexe psychische problematiek? Lees het hier! 

Op de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM 5) is al jaren vanuit de diagnostische en therapeutische praktijk kritiek. ‘In de praktijk is de classificatie leidend geworden, in plaats van de beschrijvende diagnostiek’, vindt ook psychiater Anja Stevens die in opdracht van BirdView mensen die vastlopen in hun werk diagnosticeert.

‘Stel, ik doe een intake met een client die vanwege een nieuwe baan angstig is geworden en depressieve kenmerken vertoont. Als de klachten van deze client niet helemaal voldoen aan alle criteria van een van de classificaties van de DSM, dan moet ik in mijn eindrapportage wel een classificatie invullen. Zorgverzekeraars vergoeden alleen behandelingen van mensen met een DSM 5 classificatie, dus alleen daarmee kan iemand worden doorverwezen naar verzekerde hulpverlening’, zegt psychiater Anja Stevens.

Er was volgens haar indertijd een goede reden om de DSM in de diagnostiekpraktijk van psychologen en psychiaters te introduceren. ‘In ons vakgebied ontstond de behoefte om internationaal over psychische stoornissen dezelfde vaktaal te spreken. Er zijn vervolgens wereldwijd afspraken gemaakt over welke criteria op basis van wetenschappelijke inzichten gelden voor een bepaalde psychische stoornis. Dat wordt aangevuld door nieuw wetenschappelijk onderzoek, inmiddels hanteren we de vijfde versie van de DSM.’

‘Hoewel het dus géén diagnose-handboek is, en het stellen van een diagnose moet gebeuren door uitgebreid en nauwkeurig psychologisch/psychiatrisch onderzoek, dreigt het in de praktijk het afvinken van vragenlijsten te worden. Voor simpele diagnoses werken de protocollen prima’, zegt Stevens. ‘Maar minder goed voor complexer diagnoses. Als het allemaal niet valt in de protocollen, kom je niet verder. Het risico is dat je minder goed gaat kijken naar de dynamiek erachter; de ontwikkelingsgeschiedenis van een client raakt van ondergeschikt belang– en dat is niet de bedoeling. En beschrijvende diagnose is altijd afhankelijk van iemands persoonlijke ingrediënten en zegt ook iets over waarom iemand op deze wijze op dit moment zo functioneert en vastloopt. Je moet kijken wat er onder de klachten ligt, wat heeft iemand heeft doorgemaakt.’

Toen Stevens in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd opgeleid tot psychiater gold beschrijvende diagnostiek als dominant. ‘Dat probeer ik nog altijd te doen, eerst achterhalen wat er aan de hand is, waarom iemand nú voor me zit en niet eerder. Ik kom op basis van een (eventuele) vragenlijst, een gesprek én mijn observaties tot een diagnose.’

Ze ziet in haar praktijk mensen die via de werkgever zijn doorgeverwezen omdat ze zijn vastgelopen in hun werk. Ze zitten meestal al langer ziek thuis, vaak al ruim een jaar. Soms krijgen ze van haar voor het eerst een diagnose te horen. ‘De meesten zijn niet verbaasd, ze weten zelf heel goed dat er iets aan de hand is. Ze zijn dan ook vaak opgelucht als ze weten wát het is.’

Het rapport, waarvan ook de psycholoog een groot deel voor haar/zijn rekening neemt, gaat naar de verwijzer, meestal de bedrijfsarts. De taak van BirdView is dan klaar. ‘Cliënten kunnen vervolgens verwezen worden, indien nodig, voor een gerichte therapie, doorgaans is dat medicatie en psychotherapie. Soms volgt iemand al een therapeutisch traject en wij kunnen dan eventueel adviezen geven over (deel) onderdelen van de therapie. Mijn ervaring is dat dat de meeste cliënten graag weer aan het werk willen. Met een goede diagnose en gerichte adviezen over een eventuele behandeling of aanpassingen binnen het werk kunnen mensen op weg geholpen worden.’